enveloppe

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˌɛɱvəˈlɔp(ə)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. papieren omslag voor brieven
    Ik liet gisteren mijn hele doos met enveloppen vallen.
    Door de zegel scheef of omgekeerd op een kaart of enveloppe te plakken, kon de afzender stiekem zijn of haar gevoelens aan de geadresseerde tonen.
  2. financieel (financieel) totaalbedrag voor een bepaald doel beschikbaar gesteld aan een ontvanger die daarbinnen zelf de precieze besteding kan bepalen
    Artikel 12 verplicht de inrichting ertoe niet boven een jaarlijks vastgestelde enveloppe aan de verzekeringsinstellingen te factureren.

Etymologie

*van """, in de betekenis van ‘briefomslag’ aangetroffen vanaf 1817

Vertalingen

Engelsenvelope, couvert
Fransenveloppe
DuitsBriefumschlag, Umschlag
Spaanssobre
Italiaansbusta
Portugeesenvelope
Russischконверт
Japans封筒
Koreaans봉투
Turkszarf
Poolskoperta
Zweedskuvert, konvolut
Deenskuvert, konvolut