engel
mannelijk (de)/ˈɛŋəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (religie) (monotheïsme) geestelijk hemels wezen dat God dient en bemiddelt tussen God en mensDat is vast voorkomen door een engel.Net als Scrooge in A Christmas Carol van Charles Dickens werd ik door drie engelen bezocht tijdens mijn tocht: de engel van het verleden, die van het heden en die van de toekomst.
- (eufemisme) iemand die grote daden van naastenliefde doetJe bent een engel als je je buurvrouw elke dag verzorgt.
Etymologie
* via Middelnederlands "engel" / "inghel" en Latijn "angelus" van "ἄγγελος" (ángelos) "bode, afgezant", in de betekenis van ‘bode van God’ voor het eerst aangetroffen in 1200
Uitdrukkingen
- engel des doods — een engel die de dood aankondigt
Vertalingen
Engelsangel
Fransange
DuitsEngel
Spaansángel
Italiaansangelo
Portugeesanjo
Turksmelek
Poolsanioł
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek