Emmer
mannelijk (de)/ˈɛmər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- buisvormig taps toelopend vat (met hengsel), waarin men vloeistoffen of vaste stoffen kan verplaatsenMoe van het ramen lappen zette hij de emmer weg.Met kerst gaf ze een kerstdiner met gasten aan een grote tafel, waarbij kerstliedjes werden gezongen en kerstverhalen voorgelezen bij de boom met echte kaarsjes, een emmer bluswater binnen handbereik voor het geval dét.Een brede kerel kwam het pad oplopen met twee grote emmers water in zijn handen.
- (bloemplanten) Triticum dicoccum Schrank ex Schuebl. syn. Triticum turgidum subsp. dicoccon is een tetraploïde tarwesoort, met wilde en gecultiveerde varianten
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘vat’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Uitdrukkingen
- De druppel die de emmer doet overlopen — Iets kleins (een lichte ergernis e.d.) wat ervoor zorgt dat een bepaalde grens wordt overschreden
- Over de emmer gaan — braken [1], overgeven [1]
Vertalingen
Engelsbucket, emmer
Fransseau
DuitsEimer
Spaanscubo, balde
Italiaanssecchio
Portugeesbalde
Russischведро
Japansバケツ
Koreaans버킷
Turkskova
Poolswiadro
Zweedshink, spann, ämbar
Deensspand
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek