elfje

/ˈɛlᵊfjə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. zangvogels (zangvogels) benaming voor vogels uit de familie met 28 soorten die leven op het Australische continent
    Een elfje kiest een vaste metgezel voor het leven, maar heeft wel avontuurtjes.
    Elk mannetje kreeg vier geluiden te horen: de zang van een ‘medebewoner’ (dus een elfje dat hetzelfde territorium had), de zang van een buurelfje (met een aangrenzend maar niet overlappend territorium), de zang van een onbekend elfje (van minstens vijf territoria verderop) en de zang van een roodkapvliegenvanger (een niet-gerelateerde soort).

Etymologie

*[2] gedeeltelijke leenvertaling van "fairywren" "elfjeswinterkoning"

Vertalingen

Engelsfairywren