elf

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈɛlᵊf/

Betekenis

telwoord
  1. 11, het getal tussen tien en twaalf
  2. om een hoeveelheid aan te geven
    Een strafschop wordt genomen op elf meter van het doel.
    De totale kosten bedragen elf euro en zevenendertig cent.
  3. om een plaats in een volgorde aan te geven
    In Amerika verwijst "9/11" naar de aanslagen van elf september 2001.
    Het juiste antwoord op opgave elf is "42".
    Rond elf uur hield ik het niet meer en nam één hap van mijn Snicker. Ik kauwde zorgvuldig om optimaal te genieten van de nougat, pinda’s, karamel en melkchocolade.
zelfstandig naamwoord
  1. dat wat in een (rang)ordening met 11 is aangeduid
    Het is weer de elf die het niet doet, kunnen we die niet simpel vervangen?
    Haar twaalfde verjaardag was een belangrijk moment, want haar leven werd heel anders toen ze de elf eenmaal voorbij was.
  2. groep van 11 eenheden
    De elf zijn natuurlijk blij, maar de vijf die als reserve op de bank belanden zijn teleurgesteld.
zelfstandig naamwoord
  1. mythologisch wezen dat meestal over bovennatuurlijke krachten beschikt,
  2. vriendelijke natuurgeest, meestal in de gedaante van een meisje met vleugels

Etymologie

*[B] van Middelnederlands "elf" in de brede betekenis van magisch wezen; in de betekenis van ‘kleine, vriendelijke natuurgeest’ van "Elf" voor het eerst aangetroffen in het jaar 1855

Vertalingen

Engelseleven, elf
Fransonze
Duitself
Spaansonce
Italiaansundici
Russischодиннадцать
Turkson bir, peri
Zweedselva
Deenselleve