eiwitmantel

mannelijk (de)/ˈɛiwɪtˌmɑntəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. biologie (biologie) buitenwand rond het genetisch materiaal van een virus, opgebouwd uit eiwitstructuren (capsomeren) die bestaan uit door het virus zelf gemaakte eiwitten.
    Dit Nederlandse virusdeeltje is op de tekentafel ontworpen. Het ging de ontwerpers om de eiwitmantel: de buitenkant van het virus die zich vanzelf uit losse eiwitten opbouwt. Ze bedachten een ‘minimalistisch’ manteleiwit, met onder meer een structuur die lijkt op die van zijde-eiwitten. Die eiwitten vouwen zich vanzelf groepsgewijs rond DNA.