eetzaal

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈetsal/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een ruimte bedoeld voor het gezamenlijk nuttigen van maaltijden
    Dan zien we elkaar om half een in de eetzaal.
    Met nat haar kom ik de kleine eetzaal binnen, waar de rest al aan de antipasti zit.
    Waarom niet? Ik haast me de eetzaal binnen en ga naar zuster Geneviève.