eelt
onzijdig (het)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) harde verdikking van de opperhuid ontstaan als reactie op belasting, vooral op de voeten en de handenVan al dat zware werk had hij flink wat eelt op zijn handen gekregen.
Etymologie
*(erfwoord): Afkomstig van Oergermaans *ili, gen. *iliþiz ‘voetzool’,Guus Kroonen (2013), Etymological Dictionary of Proto-Germanic. Leiden, Brill: 269. bij Indo-Europees *h₁elh₂- ‘gaan’, waartoe ook behoort Oudgrieks eláō ‘(aan)drijven’Vladimir Orel (2003), A Handbook of Germanic Etymology. Leiden, Brill, blz. 83.. Evenals Nederduits Eelt ‘eelt’, Duits dial. Illen ‘buil’Jan de Vries (1971), Nederlands etymologisch woordenboek. Leiden, Brill. en Faeröers il ‘voetzool’.
Vertalingen
Engelscallus
Franscal
DuitsSchwiele
Spaanscallo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek