Eekhoorn
mannelijk (de)/ˈekhorᵊn/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (knaagdieren) benaming voor knaagdieren uit de familieVoordat mijn vrouw kan genieten van de noten van onze notenboom, heeft de eekhoorn ze al gestolen.Ik hoopte stiekem een beer te kunnen zien baden in de rivier, maar was ook wel tevreden met alle herten, eekhoorns, marmotten, vogels en de Amerikaanse adelaar.
- (Nederland), België) roodbruin knaagdier met lange pluimige staart dat vooral in bomen leeftDe eekhoorn is van veel kinderen het lievelingsdier.
- (vlinders) soort nachtvlinder
Etymologie
*(erfwoord): volksetymologisch vervormd uit Middelnederlands "eencoren" / "ecorn", dat teruggaat op Oergermaans *aikwernan-, aanpassing aan oudere nom. *aikwur, gen. *īkuraz, wijzend op een geredupliceerde Indo-Europese wortel (nom.) *h₂éi-h₂ur, (gen.) *h₂i-h₂urós, in de betekenis van ‘knaagdier’ voor het eerst aangetroffen in 1287 Guus Kroonen, Etymological Dictionary of Proto-Germanic, Leiden: Brill, 2013, p. 10-11.
Vertalingen
Engelssquirrel
Fransécureuil
DuitsEichhörnchen
Spaansardilla
Italiaansscoiattolo
Portugeesesquilo
Russischбелка
Japans栗鼠
Turkssincap
Poolswiewiórka
Zweedsekorre
Deensegern
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek