echtgenote
vrouwelijk (de)/ˈɛxtxəˌnotə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (familie) vrouw waarmee je getrouwd bentMaxima is de echtgenote van Willem-Alexander.' Ik voel hoe ik dreig terug te schieten in dat oude patroon van volgzame echtgenote en moeder.Lana had ontzet gereageerd, boos dat Casper niet voor haar koos en bedroefd dat hij zijn echtgenote de kastanjes uit het vuur liet halen.
Etymologie
*afgeleid van echtgenoot , in de betekenis van ‘vrouw met wie iemand getrouwd is’ voor het eerst aangetroffen in 1631
Vertalingen
Engelswife
Fransépouse
DuitsEhefrau
Spaansesposa
Italiaanssposa, moglie
Russischсупруга
Poolsżona
Zweedsfru, hustru, maka
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek