dweil

mannelijk (de)/dʋɛi̯l/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een stuk weefsel in natte vorm gebruikt om een gladde vloer te reinigen
    Maak die dweil eerst eens schoon, anders verplaats je het vuil alleen maar.

Etymologie

* Via het Middelnederlands dwegel en door palatalisering van de -g- ontstond -ei-, afgeleid van het Middelnederlands dwaen (wassen)

Vertalingen

Engelsfloorcloth, mop
Fransserpillière
DuitsWischtuch
Spaansfregona