duvels

/ˈdyvəls/

Betekenis

tussenwerpsel
  1. een uitroep van verbazing
    Duvels zeg!
  2. als een duvel
    Dat was echt een duvels plan.
  3. vervloekt
    Die duvelse jongen heeft weer iets uit mijn tuin gestolen!
  4. boos, ongeduldig
    Je wordt er duvels van.
  5. In hoge mate
    Ik was toen echt even duvels kwaad.

Etymologie

*afgeleid van duvel