durven
/ˈdʏrvə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) (vaak ~ te) de moed hebben om iets gewaagds te doenIk durf dat niet.Durf je daar echt aan te beginnen?Daarbij werd niet gedurfd deze vraag goed te beantwoorden.
- (inerg) moed tonenJe durft wel, zeg!
- (inerg), Zuidelijk Nederlands een bepaalde, veelal onwenselijke eigenschap vertonenDat durft weleens te gebeuren.Hij durft dat weleens te vergeten.
- De vorm "dorst" is in het noorden goeddeels verdrongen door de regelmatig zwakke vorm "durfde".
- Het voltooid deelwoord komt weinig voor, meestal wordt het vervangen door de onbepaalde wijs van durven gevolgd door een zelfstandig werkwoord.Ik heb niet durven kijken.
- Lijdende vormen zijn weinig gebruikelijk.
Etymologie
:: θαρσειν ‘dapper zijn’.
Uitdrukkingen
- Ergens de vingers voor durven opsteken — ergens zeker van weten dat het een eerlijke zaak is
Vertalingen
Engelsdare
Fransoser
Duitswagen, trauen
Spaansosar, atreverse
Italiaansosare
Zweedsvåga
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek