dukaton

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. zilveren munt met een waarde van 63 stuivers uit de 16de tot 18de eeuw
    Tijdens de veiling werden ook Nederlandse munten geveild, waaronder een halve dukaton uit 1774. Die leverde 30.000 euro op. Een Wilhelmina-oorlogsdubbeltje, geslagen in Denver in 1944, werd voor 15.600 euro verkocht.

Etymologie

*uit het Frans