duimzuigerij

vrouwelijk (de)/ˈdœymzœyɡəˌrɛi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. langdurig in de mond houden van de dikste vinger, zoals sommige kleine kinderen veel doen
    {{ouds
  2. figuurlijk (figuurlijk) gebruik van eigen bedenksels alsof het feiten zijn
    In zekere zin is journalistiek eigentijdse geschiedschrijving, maar zonder gebruikmaking van alle bronnen. Per slot van rekening kan de journalist niet dertig jaar wachten tot alle archieven open zijn. Maar de bronnen waarover hij wél beschikt of die hij heeft aangeboord, moet hij trouw volgen. Net zoals de historicus. Geen van beiden mag zich aan duimzuigerij schuldig maken.
  3. figuurlijk (figuurlijk) verzonnen verhaal
    „De zware feiten in deze serie worden naar waarheid verteld”, zegt Ger Beukenkamp, die samen met initiator en regisseur Hans Hylkema het scenario voor de Den Uyl-serie schreef. „Als je daarmee gaat schuiven, is de rest ook niet meer geloofwaardig. Maar de scènes bij Den Uyl thuis, zeg maar zijn thuisparlement, en de gesprekken op het paleis zijn duimzuigerij”.

Etymologie

*[2], [3]: van de uitdrukking "uit de duim zuigen"