duig

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. plank van de wand van een vat of ton

Etymologie

* Middelnederlands dūghe ‘duig, lat’, leenwoord uit middeleeuws Latijn dōga ‘gracht, vat, recipiënt’, ontleend aan Oudgrieks dokhḗ ‘vat; kanaal’.

Vertalingen

Engelsstave
Fransdouve
DuitsDaube
Spaansduela
Italiaansdoga
Portugeesaduela