duif
mannelijk/vrouwelijk (de)/dœyf/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (duifachtigen) benaming voor vogels uit de familie die een koerend geluid makenRoekeloos zijn ze, die stadsduiven. Ze scharrelen op het fietspad, alsof het asfalt een weitje is. De duif kijkt niet op, hij kijkt niet om. Pas als je voorwiel zo dichtbij is dat je aan bebloede spaken begint te denken, fladdert hij ineens op.Hester van Santen 30 september 2016 NRC
Etymologie
*(erfwoord) via Middelnederlands "duve" van Oudnederlands "duva", in de betekenis van ‘duifachtige’ aangetroffen vanaf 901
Uitdrukkingen
- De gebraden duiven vliegen niemand in de mond — iemand die luxe wil zal er voor moeten werken
- Onder iemands duiven schieten — klanten bij een ander overhalen om klant te worden bij jou
Vertalingen
Engelsdove, pigeon
Franspigeon
DuitsTaube
Spaanspaloma
Italiaanspiccione
Portugeespombo
Russischголубь
Japans鳩
Turksgüvercin
Poolsgołąb
Zweedsduva
Deensdue
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek