ds.

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈdomine/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. titel van een dominee, wordt geschreven voor de naam
    Het is nog maar de vraag of ik bij ds. Jansen blijf kerken.

Etymologie

*(afkorting) van dominus "heer" uit het Latijn als titel voor predikant, voorganger in protestantse kerk, de Latijnse aanspreekvorm "domine" werd in het Nederlands dominee