druif

mannelijk/vrouwelijk (de)/drœyf/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bloemplanten (bloemplanten) bepaalde plantensoort
  2. fruit (fruit) besvrucht van de wijnstok waar wijn van gemaakt kan worden
  3. pejoratief, informeel (pejoratief), (informeel) suf, dom, warrig persoon
    Tsjonge, wat ben jij een druif zeg!
  4. militair (militair) knop achteraan op een kanon

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands "druve" ‘druiventros’ van Oudnederlands "thruvo", in de betekenis van ‘druiventros’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100; de betekenis ‘vrucht van de wijnstok’ verdrong Middelnederlands "wijnbere" (zie wijnbes)Dit woord heeft zich ontwikkeld uit West-Germaans *þrūban- ‘tros, klomp, massa’, misschien verwant met Hittitisch tarupp- ‘verzamelen’; cognaat met "Druuv" "druiventros", "Traube" "druif, druiventros" en "drúf" "druif"

Uitdrukkingen

  • De druiven zijn zuur/hangen te hoogVan iets dat men niet kan krijgen, zeggen dat men het ook niet wil hebben (om te verdoezelen dat men in werkelijkheid onmachtig is om het te krijgen)Deze uitdrukking is te herleiden tot het verhaal "De vos en de druiven" (uit de {{w|nl|Fabels van Aesopus|Fabels van Aesopus
  • Wie in een boomgaard werkt, mag er van de druiven etenExtra voordeel halen uit werk

Vertalingen

Engelsgrape
Fransraisin
DuitsTraube
Spaansuva
Italiaansuva
Portugeesuva
Russischвиногра́дина
Chinees葡萄
Japansブドウ
Koreaans포도
Arabischعِنَب‎
Turksüzüm
Poolswinogrono
Zweedsdruva
Deensvindrue