droogzolder

mannelijk (de)/'droxsɔldər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. zolderverdieping waarop men iets te drogen legt
    Dan was er nog een geriefelijke droogzolder aan verbonden; overigens had het huis zijn eigen ongemakken, omdat er door de bedstee-binnen, zoo weinig kasten waren en nou had Door een 'handenbindertje' dat plat in de wieg lag, 'zoete Doortje' maar dat aardigjes een keel op kon zetten.