drijven

Betekenis

werkwoord
  1. op het oppervlak van een vloeistof (voornamelijk water) rusten
    De in het water gevallen boomstam dreef langzaam naar zee.
    Gaat dit toch verkeerd? Dan is de beste tip weer: gewoon met de stroom mee drijven.
  2. in de lucht zweven
    Traag dreven de wolken door de lucht.
  3. figuurlijk (figuurlijk) doorweekt zijn, erg nat zijn
    Toen zij uren in de regen hadden gelopen, dreven ze van het water.
  4. iets of iemand voor zich uit doen bewegen
    De herders dreven de kudde naar de omheining.
  5. handel (handel) plegen, (een zaak) leiden, uitoefenen, besturen
    Hij dreef de zaak met grote kundigheid.
  6. slaan, (met kracht) inbrengen
    Hij dreef de spijker met krachtige slagen in het hout.
    Zij nam Aeneas' zwaard, drukte de wens uit dat de verrader de rook van haar brandstapel op zee zou zien en dreef het metaal diep in haar lichaam.
  7. figuren op metaal uitkloppen, ciseleren
  8. aansporen, bewegen tot
    Deze ontwikkelingen alarmeerden Slovenen en Kroaten, en dreef hen snel richting onafhankelijkheid
  9. drijven tot: dwingen
    De honger dreef de mensen tot vluchten.

Etymologie

*van het Middelnederlands driven; vergelijk triben en driban

Vertalingen

Engelsfloat, drive
Duitsschwimmen, treiben
Spaansflotar, aboyar, nadar