driestal

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. krukje met drie poten
    Hij kon hem nu niet zien, maar zag hem toch, zooals hij 'tweebeen zat op driebeen' bukte op zijn driestal, een elleboog op zijn knie en in zijn hand met de breede pikduim 't Psalmenboek laag houdend.