draaistoel

mannelijk (de)/ˈdrajstul/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. meubel (meubel) zitmeubel voor één persoon, waarvan de zitting om een verticale as kan draaien vooral in gebruik in kantoren
    Toen het gesprek geëindigd was bleef hij nog een tijdje achterovergeleund in zijn draaistoel zitten, de handen gevouwen op zijn vest met de vulpennen.
    In de draaistoel, achter het tafeltje met de telefoontoestellen, de drukknopjes en de microfoon zat monsieur Jacquard, de man met de zwarte hoornen bril, het borstelige haar en de rossige snor.
  2. techniek, verouderd (techniek) (verouderd) kleine draaibank in de fijnmechanica
    {{ouds

Vertalingen

Engelsswivel chair
DuitsDrehstuhl