douche

mannelijk/vrouwelijk (de)/duʃ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. sanitair (sanitair) bad [1] in de vorm van een neerwaartse waterstraal die op het lichaam belandt
    Het was fascinerend om te zien hoeveel zout ik verloor: na dagen zonder douche stond mijn shirt stijf van de zoute strepen en bleef het bijna rechtop staan.
  2. sanitair, techniek (sanitair), (techniek) spuitstuk met kraan, als onderdeel van [1]
    Ik sta net onder de douche als ik mijn telefoon hoor overgaan.
    De avond daarvoor vond ik het al gek dat Joy en Hannah een ligbad bleken te hebben, terwijl Bibi en ik het met een douche moesten doen die klonk alsof hij chronische bronchitis had.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘stortbad’ voor het eerst aangetroffen in 1847

Uitdrukkingen

  • Een koude doucheIets dat tegenvalt

Vertalingen

Engelsshower
Fransdouche
DuitsDusche
Spaansducha
Italiaansdoccia
Turksduş
Poolsprysznic
Zweedsdusch