douarie

vrouwelijk (de)/duwaˈri/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geschiedenis (geschiedenis) vermogen dat een man aan zijn echtgenote schonk als inkomstenbron na zijn overlijden
    Bij het huwelijk in 1598 was bepaald dat de bruid bij het overlijden van haar bruidegom kon rekenen op een douarie van driehonderd gulden.
  2. figuurlijk, verouderd (figuurlijk) (verouderd) zeer royaal geschenk

Etymologie

*via Middelnederlands "duware" van "douaire" dat weer teruggaat op Latijn "dotarium", cognaat met dowry