douairière
vrouwelijk (de)/ˌduwɛriˈjɛrə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (adel) weduwe van een edelmanDe goede reisgezel en zijn wijze moeder veranderden zienderogen in een halfmallote douarière en een nauwelijks bewaakbare dégéneré.
- (verouderd) (aangevuld met de titel van de overleden echtgenoot) aanduiding voor de weduwe van een edelmanDe douarière Melchior-Jan van Susteren liet het herbouwen en deed voor dit werk een beroep op de beroemdste architekt van de tijd nl. Jan-Pieter van Baurscheit de Jonge.
Etymologie
*via Middelnederlands "douagiereghe" uit het Frans
Vertalingen
Engelsdowager
Fransdouairière
Russischвдовствующая
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek