douairière

vrouwelijk (de)/ˌduwɛriˈjɛrə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. adel (adel) weduwe van een edelman
    De goede reisgezel en zijn wijze moeder veranderden zienderogen in een halfmallote douarière en een nauwelijks bewaakbare dégéneré.
  2. verouderd (verouderd) (aangevuld met de titel van de overleden echtgenoot) aanduiding voor de weduwe van een edelman
    De douarière Melchior-Jan van Susteren liet het herbouwen en deed voor dit werk een beroep op de beroemdste architekt van de tijd nl. Jan-Pieter van Baurscheit de Jonge.

Etymologie

*via Middelnederlands "douagiereghe" uit het Frans

Vertalingen

Engelsdowager
Fransdouairière
Russischвдовствующая