dorpsdokter

mannelijk (de)/'dɔrpsdɔktər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een praktijkhoudend huisarts in een dorp
    Mijn opa was een dorpsdokter.
    Een dorpsdokter kent alle mensen uit het dorp en alle mensen uit het dorp kennen de dorpsdokter.