doorgang

mannelijk (de)/ˈdorɣɑŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. opening waar men doorheen kan gaan
    In een deel van deze heuvels moest zich een doorgang bevinden die naar de Vallei der Dwaasheid leidde. {{Aut|Herzen, Frank
  2. gelegenheid door te gaan

Etymologie

*afleiding van het werkwoord "doorgaan"

Vertalingen

Engelsgangway, gate, passage
Spaanspasadizo, paso