doopkleed

onzijdig (het)/ˈdopklet/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. jurk die men draagt tijdens of direkt na de doop
    Mensen met een fotografisch geheugen zullen van de hierbij afgedrukte foto denken: die ken ik! Inderdaad, zie het Cultureel Supplement van deze krant van 18 september 1998. Daarnaast sierde deze post mortem-opname de uitnodiging en catalogusomslag van `Naar het lijk', een tentoonstelling destijds in het Teylers Museum in Haarlem. Het is een prachtige opname. In een vurenhouten kistje liggen Leonard en Petrus Migchiels stijf naast elkaar. Ze zijn maar twee dagen oud geworden. Naar goed Oost-Brabants gebruik dragen ze hun doopkleed en liggen ze fraai versierd opgebaard.NRC Cor van der Heijden 21 februari 2003
zelfstandig naamwoord
  1. witte doek of sluier die de priester na de doop op de dopeling legt

Vertalingen

Engelschristening robe, chrisom