dooien
/'dojə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (onpr), (meteorologie) het stijgen van de buitentemperatuur boven het vriespunt waardoor alle ijs en sneeuw begint te smeltenHet dooide gedurende de dag, maar 's nachts vroor het weer.
- (erga) (van dingen die bevroren zijn) door een boven het vriespunt stijgende temperatuur vloeibaar wordenDe sneeuw begon te dooien.
Etymologie
* In de betekenis van ‘ophouden te vriezen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287
Uitdrukkingen
- het kan vriezen en dooien — het is nog niet duidelijk welke kant het opgaat
Vertalingen
Engelsthaw
Fransdégeler
Duitstauen
Spaansdeshelar, deshelarse
Italiaanssgelare
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek