doodtij

onzijdig (het)/'dotɛɪ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de periode van het getij waarin het verschil tussen hoog- en laagwater minimaal is
    We zijn in Utrecht, zie ik. Altijd een lastige stad om te eten. Zeker. Maar picture this: herfstige dinsdagavond, voetbal op tv, doodtij in de horeca. In een winkelstraat aan de rand van het centrum gaan de lampen aan in een bistro-achtig eettentje. De vloer is van hout, de muur een spiegelwand. Aan de open keuken hangen strengen knoflook, flessen staan op planken aan de muur, overal zwerven kookboeken. Beetje knus, beetje rommelig, beetje dertien in een dozijn. Maar volle bak!Volkskrant Mac van Dinther 10 november 2012

Vertalingen

Engelsneap tide