donsveer

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈdɔnsfer/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. deel van de huidbekleding van vogels, bestaand uit zachte, uitstaande haartjes aan een kernDonsveren bevinden zich als regel dicht op de huid als warmte-isolatie; ze worden door mensen gebruikt in kussens en dekbedden.
    Algemeen werd aangenomen dat de keizerspinguïn heel dicht opeen gepakte dekveren heeft, met aan de basis van elke dekveer een donsveertje dat eraan vast zit. Losse donsveren zou de keizerspinguïn niet hebben. Maar hij heeft er juist heel veel van – al zijn ze van de buitenkant niet te zien. Die donsveren moeten dus belangrijk zijn voor de isolatie.