donder

mannelijk (de)/'dɔndər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. meteorologie (meteorologie) een zeer luid geluid bij onweer
    Hij is bang voor donder.
    Waarom had ik geen donder gehoord of bliksem gezien tijdens mijn tocht omhoog?
    De bliksemschicht bevat een enorme hoeveelheid energie waarbij heel veel warmte vrijkomt. De binnenkant van de bliksemstraal kan volgens Weerplaza wel 33.000 graden zijn. Ter vergelijking: de oppervlakte van de zon is ongeveer 5.500 graden. De hitte zorgt ervoor dat de lucht rondom de bliksemschicht uitzet waardoor een schokgolf ontstaat in de lucht. En dat horen wij als de donder.
  2. anatomie, dysfemisme (anatomie), (dysfemisme) het menselijk lichaam (voornamelijk in op zijn ~ krijgen)
    Hij kreeg op z'n donder.

Etymologie

* In de betekenis van ‘geluid bij bliksemslag’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Uitdrukkingen

  • Daar kun je donder op zeggenJe kunt er zeker van zijn dat dat zo is

Vertalingen

Engelsthunder
Franstonnerre
DuitsDonner
Spaanstrueno
Italiaanstuono
Portugeestrovão
Russischгром
Poolsgrzmot
Zweedsåska
Deenstorden