dompelen

/ˈdɔmpələ(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) in een vloeistof steken
    Dompel de bijtring niet in koud of kokend water om deze te steriliseren.
    Hij dompelde de aardappels in het water om ze schoon te maken.
  2. ov (ov) ~ in: rouw of verdriet overdrachtelijk iets alomtegenwoordig maken
    Het vreselijke ongeluk dompelde de stad in diepe rouw.

Etymologie

*Een frequentatieve vorm van het verouderde dompen (doen ondergaan)

Vertalingen

Spaansbañar