dominee

mannelijk (de)/ˈdomiˌne/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep, religie (beroep) (religie) voorganger van een protestantse eredienst
    De dominee staat op de kansel.
    'O,' zegt ze, met de dictie van een dominee.
    De dominee komt zelf van buiten de gemeente: „Als predikant ben ik onder de mensen, mijn beroep is vertrouwen. (…)"
  2. beroep, religie (beroep) (religie) (Suriname) leider van een religieuze gemeenschap
    Volgens de Javaanse traditie werd aan de KAUM (Javaanse dominee) advies gevraagd welke dag het meest geschikt zou zijn.
  3. figuurlijk (figuurlijk) benaming voor sommige vogelsoorten die een zwart verenkleed met een witte borst hebben
  4. beflijster,
    Zoolstra ving naar eigen zeggen alle lijstersoorten: de merel (het mannetje heet ‘zwarte lijster’, het vrouwtje ‘boekweitgrauwe’), beflijster (‘dominee’), zanglijster (‘noordmannekes’), koperwiek (‘oostmannekes’) en grote lijster.
  5. aalscholver
    Aalscholvers die met gespreide vleugels op paaltjes zitten werden door de Scheldevissers vaak vergeleken met predikende religieuzen. De katholieken noemden de vogel daarom ook ‘dominee’, de protestanten hielden het op ‘paster’.
  6. verouderd (Suriname) (verouderd) witkopwatertiran
    De Soeur of Dominee zit altijd laag en vlakbij water en de beste plaats om ze te treffen is in een wat groter zoetwatermoeras.
  7. figuurlijk, dierkunde (figuurlijk) (dierkunde) (Suriname) benaming voor het mannetje dat de leider is van een groep brulapen
    Het gehuil lijkt ons misschien een ongeorganiseerde boel, maar in werkelijkheid zit er toch wel lijn in. „De domri [dominee] is de koorleider”, zei Raymond, een goudzoeker die de brulapen rondom zijn kamp observeerde.

Etymologie

**[4] omdat de leider van de groep voorgaat bij het brullen

Uitdrukkingen

  • Blikken domineeDominee die niet goed geschoold is of onoprecht; bij uitbreiding in het algemeen iemand die de schijn ophoudt|n=1|t=z
  • De koopman en de domineeSpanningsveld tussen streven naar winst en welvaart en morele principes|n=1|t=z
  • Dominee, brand je bekje niet!Waarschuwing dat voedsel of drank nog te warm is|Het gaat hier mogelijk niet echt om „dominee” in de betekenis van predikant, maar om de Latijnse aanspreekvorm „domine”. Maar het „bekje” zou hier ook een verbastering kunnen zijn van „befje” ‘borstlapje’ {{Vloeken-r
  • De pastoor gaat voor en de dominee loopt met hem meeMachtige mensen krijgen steeds voorrang boven de minder machtigen|n=1|t=z
  • Er gaat een dominee voorbijGezegd als het in gezelschap plotseling stil wordt|n=1|t=z
  • Er komt een dominee voorbijGezegd als het in gezelschap plotseling stil wordt|n=1|t=z

Vertalingen

Engelsparson, pastor
Franspasteur
DuitsPastor, Pfarrer, Priester
Spaansdómine, pastor, pastor protestante
Italiaanspastore
Poolspasterz