dolletje

/ˈdɔləcə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheepvaart (scheepvaart) een metalen pinnetje waarop een roeispaan kan draaien, een kleine roeipen
  2. scheepvaart (scheepvaart) een klein U-vormig steunpunt waarin een roeispaan rust
    Daarna stak hij zijn hand uit en hielp Emmy aan boord. Ze ging op het achterbakje zitten en legde eender riemen in het dolletje. „Ik kan anders wel alleen roeien”, zei Karel.
  3. spreektaal (spreektaal) uitgelaten "gedraging", "grap", "grol"
    Grapjes, dolletjes, in-de-zeik-nemertjes maken de jongens ook niet. Dat kan ook niet. Welke grap kun je hierover in hemelsnaam bedenken?
  4. (Hebreeuwse) letter d, het getal vier (in geldsommen)
    In de dieven- en kwartjesvinders-sociëteit in de Rue de P. J. (Pieter Jacobstraat) maakte dit vraagstuk reeds sedert lang een onderwerp van ernstige besprekingen uit. Ten slotte beeft men eindelijk een oplossing gevonden en bij acclamatie besloten als proef de letters van het Hebreeuwsche alfabeth voor cijfers te gebruiken. Reeds zeer ver hebben de heeren het in deze nieuwe taal, welke onderanderen in de sociëteit. In de Pieter Jacobstraat aan leergrage „broekjes" in het vak wordt onderwezen, gebracht. Er zal dus weldra een nieuwen, herzienen en verbeterden druk van de genoemde handleiding moeten verschijnen. Dan besten speurders zouden anders woorden als een olfie, beisale, een gimmeltje, of een dolletje abracadabra blijven.
  5. verouderd (verouderd) duinkuiltje, een kleine "del"
    Thans leggen de kievieten hare eijeren zeer in de laagte, op kleine dolletjes of hoogten, midden in het water, hetwelk een droogen zomer, althans voorzomer, voorspelt.

Etymologie

*[4] van "dolletje"