dokter
mannelijk (de)/ˈdɔktər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (beroep), (medisch) een arts, een geneesheerDe zieke man werd door de dokter beter gemaaktDe dokter zegt dat haar geest net een honingraat is, cel na cel die kapotgaat en weer hersteld wordt.'Hier word ik bang van, Jochem. Ik ga vragen of ze de dokter willen roepen.' Jochem wilde haar geruststellen, maar miste hiervoor de overredingskracht.
Etymologie
*Afgeleid van het Latijnse doctor
Uitdrukkingen
- Hij is met dat water al eens meer voor de dokter geweest
- Met het water voor de dokter komen — zeggen wat je bedoelt
- : dokter
Vertalingen
Engelsdoctor, physician
Fransmédecin, docteur
DuitsArzt
Spaansmédico, doctor, doctora
Italiaansdottore
Koreaans의사
Turksdoktor, hekim
Poolslekarz, doktor
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek