doksaal

onzijdig (het)/dɔk'sal/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een houten of stenen wand die in een kerk het schip scheidt van het priesterkoor

Etymologie

* Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘wand tussen koor en schip van een kerk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1276