dojo
mannelijk (de)/'dojo/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (sport) een zaal waarin men oefent in Japanse zelfverdedigingskunsten of vechtsporten zoals jiujitsu, judo, karate en aikido of waarin zazen beoefend wordt
Etymologie
* Leenwoord uit het Japans, in de betekenis van ‘judoschool’ voor het eerst aangetroffen in 1961
Vertalingen
Spaansdojo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek