doezelen
/xxxx/
Betekenis
werkwoord
- (ov) een stof door middel van een doezelaar dun uitwrijvenHij heeft voor dat experiment de kleurstof moeten doezelen.
- (inerg) lichtjes slapenOp zondag lig je meestal langer te doezelen.Even een paar minuten doezelen. Dat moest kunnen.
Etymologie
*afgeleid van doezel
Vertalingen
Engelsstump, drowse, slumber
Fransestomper, somnoler
Duitswischen, duseln
Spaansesfumar, esfuminar, difuminar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek