doezelen

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) een stof door middel van een doezelaar dun uitwrijven
    Hij heeft voor dat experiment de kleurstof moeten doezelen.
  2. inerg (inerg) lichtjes slapen
    Op zondag lig je meestal langer te doezelen.
    Even een paar minuten doezelen. Dat moest kunnen.

Etymologie

*afgeleid van doezel

Vertalingen

Engelsstump, drowse, slumber
Fransestomper, somnoler
Duitswischen, duseln
Spaansesfumar, esfuminar, difuminar