doening

vrouwelijk (de)/ˈdunɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. plaats waar men werkt
  2. (detailhandel) nering, winkel
  3. (landbouw) boerderij, erf
  4. figuurlijk (figuurlijk) huis, woning
  5. manier van doen

Etymologie

*afgeleid van "doen"