doening
vrouwelijk (de)/ˈdunɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- plaats waar men werkt
- (detailhandel) nering, winkel
- (landbouw) boerderij, erf
- (figuurlijk) huis, woning
- manier van doen
Etymologie
*afgeleid van "doen"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek
*afgeleid van "doen"