doen
onzijdig (het)/dun/
Betekenis
werkwoord
- (ov) een actie ondernemenLaten we wat anders doen.Het zal u zijn opgevallen dat het hotel hier en daar sporen vertoont van achterstallig onderhoud. We hebben nu eenmaal niet zoveel gasten meer als vroeger. Ook daaraan wil meneer Wang iets doen. Hij streeft naar een volle bezetting.
- (auxl) maakt van een ergatief werkwoord een causatieve constructieIn Belgisch-Nederlands wordt deze betekenis meer gebruikt, in Nederland is buiten formele taal "laten" meer gangbaar.De hitte van de zon deed de boter smelten.
- het ~ functioneren (in veel gevallen direct gevolgd door "goed" of "slecht")Hij deed het goed op zijn werk.
- (spreektaal) op een andere plaats brengenHij doet de suiker in de suikerpot.Doe dat maar in de vuilnisbak.
- een bepaalde intrinsieke waarde hebben
- (handel) als prijs hebbenVaak in combinatie met een geldbedrag per hoeveelheid.Goud doet nu meer dan 50.000 euro per kilo.
- (verkeer) als snelheid hebben
- ~ aan: iets beoefenen zonder dat dit beroepsmatig isHij deed aan bergbeklimmen.
- het ~ (informeel), (seksualiteit) geslachtsgemeenschap hebbenZij heeft het verdomme met hem gedaan!
zelfstandig naamwoord
- het verrichten van een werkTegenwoordig is niet het spreken belangrijk, maar het doen.
Etymologie
*[5.2] vergelijk "faire … par heure"
Uitdrukkingen
- Aangifte doen — Bij de politie melding maken van een misdrijf / Bij de gemeente de geboorte van een kind melden / De belastingaangifte indienen
- Cadeau doen — Als geschenk geven
- Doen alsof je neus bloedt — Iets belangrijks negeren of bewust niet reageren, terwijl men wel wordt geacht dit te doen
- Een beroep op iets of iemand doen — Vragen of iemand zijn vaardigheden wil inzetten / iets ergens voor gebruiken
- Een gebedje doen — Een gebed opzeggen
- Dat doet me wat — Dat emotioneert me, dat grijpt me aan
- Er is niets aan te doen — Gezegd van iets vervelends dat niet aangenamer gemaakt kan worden
- Het is daarom te doen — Dat is het hoofdpunt, daar gaat het om
Vertalingen
Engelsdo
Fransfaire
Duitsmachen, tun, schenken
Spaanshacer
Italiaansfare
Portugeesfazer
Russischделать, сделать
Japansする, なす
Poolsrobić
Zweedsgöra
Deensaflægge, lave, gøre
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek