doelwit

onzijdig (het)/'dulwɪt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het punt waarop men zijn schiettuig richt
    Het schot ging net naast het doelwit.
  2. meer figuurlijk: het punt waarop men iets richt
    Hij was altijd het doelwit van pesterijen.
    Ik rende hard weg maar werd achtervolgd door een zwerm zwarte insecten. Pas 100 meter verder durfde ik te stoppen om de schade op te nemen. Vooral mijn linkerkuit was het doelwit geweest en werd met de minuut dikker en pijnlijker.

Etymologie

*hier komt de etymologie van het woord-->

Vertalingen

DuitsZiel, Zielscheibe
Russischцель, мишень