doekoen
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈdukun/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (Nederlands-Indië) beoefenaar van de volksgeneeskundeSaih vluchtte naar een naburig dorp waar de doekoen, de medicijnman, hem oplapte.
Etymologie
*van of dukun
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek