dobbelen
/ˈdɔbələ(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) (spel) het spelen van een kansspel door het werpen van dobbelstenen, vaak om geldEr werd grof gedobbeld door de dronken mannen.
- (inerg) (verouderd) gepaard zijn, een paar vormenKiest er mij daar een meisken. Twijn, twijn, dobbelen twijn. De meiskens moeten gedobbeld zijn.
Etymologie
*[2] afgeleid van "dubbel"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek