dobbelen

/ˈdɔbələ(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg, spel (inerg) (spel) het spelen van een kansspel door het werpen van dobbelstenen, vaak om geld
    Er werd grof gedobbeld door de dronken mannen.
  2. inerg, verouderd (inerg) (verouderd) gepaard zijn, een paar vormen
    Kiest er mij daar een meisken. Twijn, twijn, dobbelen twijn. De meiskens moeten gedobbeld zijn.

Etymologie

*[2] afgeleid van "dubbel"