djeroek

mannelijk (de)/djəˈruk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. plantkunde (plantkunde) boom of plant uit het geslacht zoals die in Indonesië groeien, bijvoorbeeld en
    Er stonden namelijk grote bomen als tandjoeng, djohar en boengoer en verder nog kleine bomen en heesters, zoals djeroek, delima, sokka, patjar koekoe, pisang en blimbing.
  2. voeding (voeding) vrucht van een citrusboom of citrusplant zoals die in Indonesië groeien
    Ik weet nog de smaak van papaja, djeroek,Maar zuurzak is wat ik al jarenlang zoek;Toch heb ik die vroeger gegeten.

Etymologie

*van "jeruk"