dimmen

/ˈdɪmə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) de autoverlichting zo schakelen dat tegenliggers niet verblind worden (door over te gaan van groot- op dimlicht)
  2. ov, elektrotechniek (ov) (elektrotechniek) zo instellen van verlichting dat het lichtniveau minder fel en daardoor aangenamer is
  3. inerg, informeel (inerg) (informeel) rustig aan doen
    Ken jij niet effe dimmen, ventje! (Amsterdams)

Etymologie

* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘licht temperen’ voor het eerst aangetroffen in 1934

Vertalingen

Engelsdim, tone down, pipe down
Franstamiser, baisser, calmer
Duitsdimmen, den Schnabel halten
Spaansreducir las luces