dij

mannelijk/vrouwelijk (de)/dɛi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) het deel van het menselijk been tussen heup en knie
    Door het zweet en constante wrijving werd mijn huid tussen mijn dijen en billen bij elke stap opengeschuurd.
    Toen ze in bed kroop nadat ze hem een vol glas cognac had gegeven, legde hij zijn hand op haar dij en ze haalde hem niet weg. Ze toostten.

Etymologie

* In de betekenis van ‘bovenbeen’ voor het eerst aangetroffen in 901

Vertalingen

Engelsthigh
Franscuisse
DuitsSchenkel
Spaansmuslo
Italiaanscoscia
Portugeescoxa
Russischбедро
Chinees大腿
Arabischفخد
Turksuyluk
Poolsudo
Zweedslår
Deenslår