diep

onzijdig (het)/dip/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verouderd (verouderd) diepte
    ... dat, gelijk de parel uit het diep van de zee moet worden opgedoken, ...
  2. verouderd, figuurlijk (verouderd), (figuurlijk) binnenste
    De Maan lachte uit het diep zich-zelve tegen
  3. aardrijkskunde, verouderd, figuurlijk (aardrijkskunde), (verouderd), (figuurlijk) zee
    Hoe't grondeloose diep meer zants en waters spoogh
  4. aardrijkskunde (aardrijkskunde) diep water, vooral gebruikt voor een vaargeul tussen ondiepten
    Het Ganzendiep is een afgedamde rivierarm van de IJssel. Het zelfbedieningspontje vaart over dit diep.
  5. aardrijkskunde (aardrijkskunde) kanaal (vooral in Noordelijk Nederland), ook gebruikt voor gekanaliseerde riviertjes
    Het voormalige rechtgetrokken diep is opnieuw aangelegd en kronkelt nu weer door het landschap.

Etymologie

#(filosofie) de basis of oorzaak van iets zijnd

Uitdrukkingen

  • Als het diep verloopt, verzet men de bakens.[4]: Als de omstandigheden veranderen, zijn andere maatregelen nodig.[http://www.dbnl.org/tekst/spre003hand01_01/spre003hand01_01_0005.php {{Aut|Sprenger van Eijk, J.P.

Vertalingen

Engelsdeep, profound
Fransprofond
Duitstief
Spaansprofundo, hondo
Poolsgłęboki