dienen
/ˈdinən/
Betekenis
werkwoord
- (ov) iemand ~: werken voor; in dienst zijn vanVele jaren diende hij zijn heer en meester.
- (absol) ~ voor: van nut zijnIk weet ook niet waar dat voor dient.Nobelen uit vorige eeuwen hadden het eiland volgebouwd met hun pronkpalazzi en de kieren die toevallig ontstonden tussen de wereldwonderen in, moesten maar als straat dienen. Wie zich wil verplaatsen in Venetië moet voortdurend om het exhibitionistische vertoon van liefde voor de stad van zijn voorgangers in deze stad heen lopen.Ik drukte mijn sigaret uit in de bloempot die ons tot asbak had gediend. Hij deed hetzelfde en sprong overeind om zich over mijn bagage te ontfermen.
- behoren, moetenKinderen dienen altijd te gehoorzamen aan je vader en moeder.Om zich toegang te verschaffen tot de bovenverdiepingen dient men te passeren tussen de hybride verschijningsvorm van de angst en het verraderlijk spinnende poesje dat voor raadselen stelt, die respectievelijk staan voor het weinig realistische zelfbeeld van de man en het wezen van de vrouw, als u het mij toestaat u te amuseren met mijn dilettantisme op het gebied van de symboliek.Aangezien jij daarbij geen passende verantwoordingen wilt nemen, dien ik nu op mijn strepen te gaan staan.
- werken in het legerHij dient nu al 5 jaar in het leger.
- iets eigenlijk moeten doenIndien de klachten niet binnen 24 uur verdwijnen dient u de arts opnieuw te raadplegen
Etymologie
* In de betekenis van ‘moeten, verplicht zijn’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1642
Vertalingen
Engelsserve, have to, must
Fransservir, servir à
Spaansprestar servicio, servir, deber
Poolssłużyć
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek